Sipke Ernst: een remisespeler die een winnaar werd

 

Het is alweer tweeënhalf jaar geleden dat Sipke Ernst zijn tweede grootmeesternorm scoorde en de 2500 passeerde. Sindsdien hebben we het steeds geschreven: een derde norm zou direct de titel opleveren. Toch kwam het moment vorige week nog onverwacht, in een zevenrondig toernooi waarin bij wijze van uitzondering een norm gescoord kon worden. Schakers.Info bracht het schaakleven van Ernst in kaart en ontdekte nog wel meer opmerkelijke prestaties.

 

Goud

Sipke Ernst scoorde zijn derde norm vorige week in de Europacup in Oostenrijk, waar hij voor zijn Duitse club Aljechin Solingen speelde. Met 5,5 uit 7 scoorde hij een TPR van 2725, terwijl voor de norm ‘slechts’ 2601 nodig is. Hij versloeg o.a. de Armeense topgrootmeester Smbat Lputian, nummer 79 op de wereldranglijst. De nog sterkere Israëliër Ilja Smirin hield hij op remise. Met dat resultaat won hij ook de gouden medaille op het tweede bord. Ernst is Nederlands 22e grootmeester (in leven) en de achtste in drie jaar tijd:

2004: Jan Smeets, Zhaoqin Peng en Daniël Stellwagen

2005: Karel van der Weide en Erwin l’Ami

2006: Jan Werle, Yge Visser en Sipke Ernst.

Opmerkelijk, de laatste drie wonen voor zover ik weet alledrie in Groningen.

 

Veel remises

Sipke Ernst werd geboren op 8 januari 1979. Op z’n negende leerde hij schaken van een leraar op school, een jaar later werd hij lid van de schaakclub in zijn woonplaats Damwoude, die uiteraard Schaakwoude heet. Op z’n veertiende stapte hij over naar Philidor Leeuwarden. Hij werd Nederlands rapidkampioen tot tien en dertien jaar, maar in het serieuze schaken behaalde hij geen nationale jeugdtitels. Een tweede plaats tot zestien jaar was zijn beste resultaat. In een interview dat ik in 2002 met hem had voor Schaakmagazine, zei hij dat hij te vaak remise speelde omdat hij bang was om te verliezen. Wat zeker ook meespeelde was zijn geboortejaar, hetzelfde als Erik van den Doel, Ruud Janssen, Maarten Solleveld, Martijn Dambacher, Jeroen Willemze, Merijn van Delft en Lucien van Beek. Dan heb je inderdaad wat concurrentie.

 

Super-NK

Van deze zeer sterke lichting was Sipke Ernst wel de tweede (een jaar na Van den Doel) die zich voor het Nederlands kampioenschap plaatste. In 1998, dus negentien jaar oud, speelde hij in het sterkste NK aller tijden, met Sokolov, Timman, Nikolic, Van Wely, Piket, Van der Wiel, Nijboer, Sosonko, Van der Sterren, Reinderman en Van der Weide. Dankzij die superbezetting was zijn minscore van 4 uit 11 tot zijn eigen grote verbazing voldoende voor een meesternorm. Later deed hij nog vier keer mee, met als beste prestaties een vierde plaats in 2002 (achter Van Wely, Tiviakov en Sokolov, maar voor Van den Doel, Van der Wiel en Nijboer) en een vijfde plaats in 2003.

 

Toernooiwinsten

Dat NK 2002 was voor Sipke Ernst de eerste grootmeesternorm en was dus een van zijn drie beste toernooiresultaten, samen met de Europacup van vorige week en zijn tweede norm: de C-groep van het Corus-toernooi 2004. Zijn score van 10 uit 13 daar in Wijk aan Zee was een kampioensscore, maar hij had de pech dat Magnus Carlsen in bloedvorm stak en nog een halfje meer haalde. Ernst werd tweede en liet de grootmeesters Pavlovic, Gagunashvili, Pavasovic en Popov achter zich, alsmede de Nederlandse jeugdtoppers Jan Smeets en Jan Werle. Belangrijkste toernooiwinsten van Ernst waren de Groningse SOON-tienkampen van 2001 (voor l’Ami, Baramidze en Van der Weide) en 2005 (voor vooral een groep Nederlandse jeugdspelers) en een toernooi in het Engelse Lichfield in 2000. In 2005 werd hij gedeeld negende in het Amsterdam Chess Tournament, met 6 uit 9 tegen een zeer sterke tegenstand. In het seizoen 2005-06 scoorde Ernst 10 uit 13 in de Bundesliga. In het Open kampioenschap van Nederland in Dieren scoort Ernst altijd goed. Van 2001 tot en met 2006 werd hij twee keer gedeeld tweede en drie keer gedeeld derde.

 

Mijnenveld

Wat is Sipke Ernst voor schaker? Op de KNSB-site schreef Erik Hoeksema deze week dat Ernst in zijn jeugd bekendstond als ‘de dammer, de ruiler, de stutter’. Zoals gezegd was hij een wat bange schaker, die veel remises speelde. Later is dat wel veranderd, maar een stijl is moeilijk aan te geven. In het jubileumboek van Philidor Leeuwarden uit 1997 is over de jonge Ernst te lezen: “Zijn stijl van spelen is moeilijk te definiëren, lijkt rommelig, maar dikwijls blijken de stukken op het beslissende moment op de juiste plaatsen te staan.” Yge Visser hoorde ik eens zeggen: “Als ik tegen Sipke speel, is het net of ik door een mijnenveld loop, ik ben altijd bang dat er ieder moment een bom kan ontploffen.” Ernst was voor Visser jarenlang een angstgegner, maar dat is voorbij. In de laatste Halve Finale versloeg Visser hem met 2-0. Ernst is ook helemaal geen type om de angstgegner van iemand te zijn. In 2002 vroeg ik hem voor Schaakmagazine zelf naar zijn stijl, waarop Ernst er niet zoveel over kon zeggen. Gevraagd naar zijn favoriete partij zei hij: “Tja, moeilijk, ik speel niet zulke mooie partijen.” Uiteindelijk koos hij voor een partij tegen Heico Kerkmeester, die bij het Noteboomtoernooi in 1998 de spektakelprijs had gewonnen. In een stelling die nog wel te verdedigen was, liep Kerkmeester opeens met zijn koning naar voren, misschien in een poging in de verzameling winnende wandelkoningen van Tim Krabbé terecht te komen. Toen hij uiteindelijk op h8 was beland, werd hij door Ernst matgezet. En Sipke Ernst had weer eens gewonnen.

 

Grillig

Sipke Ernst is een grillige speler, die kan winnen van sterke grootmeesters (zoals vorige week tegen Lputian) maar ook kan verliezen van zwakke spelers. Zoals gezegd won hij twee keer de SOON-tienkamp, maar hij werd er ook twee keer voorlaatste. Ooit kwam hij met zijn club Apeldoorn bij HSG een bekerwedstrijd spelen. Tegenstander Friso Nijboer kwam niet opdagen en na drie kwartier werd Henk Weenink (HSG 2) gevraagd zijn partij voor de interne competitie te beëindigen en tegen Ernst te spelen. “Die naam ken ik”, zei Weenink tegen mij, “dat is zo’n jonge jongen die wel eens in jouw rubriek staat.” Vervolgens speelde hij Ernst finaal van het bord, maar op het moment dat hij mat in drie kon geven liet hij Ernst ontsnappen en verloor zelfs nog. En Sipke Ernst had weer eens gewonnen. BSG’er Henk van der Poel liet Ernst deze zomer in Dieren niet ontsnappen. In de tweede ronde sloeg Ernst een aangeboden zetherhaling af om vervolgens door Van der Poel te worden matgezet. Wat dan ook typisch de grillige Ernst is, is dat hij vervolgens een geniale partij won van Herman Grooten, ook grootmeester David Baramidze versloeg en keurig derde werd.

 

Amateur

Sipke Ernst, die aan zijn zevende seizoen voor Homburg Apeldoorn is begonnen, speelt niet overdreven veel partijen. Wel in de zomer; in 2001 speelde hij volgens de FIDE-lijst 39 partijen, waarvan 33 in de zomer. De laatste jaren is dat wat toegenomen, de laatste drie jaren speelde hij achtereenvolgens 44, 61 en 77 partijen. De actiefste Nederlanders zitten rond de 120 partijen. Althans partijen die meetellen voor de FIDE-rating, daar mag je rustig nog 20 partijen bij optellen. Die 120 zal Ernst nooit halen, hij wil namelijk geen profschaker worden. In 2002 zei hij voor mijn verhaal in Schaakmagazine, dat als thema ‘professional of amateur?’ had: “Ik zou er geen goed gevoel bij hebben als ik alleen maar zou schaken en niet productief zou zijn voor de maatschappij.” Ook wees hij op zijn rating, wat hij in 2004 tegenover Tom Bottema op de Corus-site specificeerde: “Dat lijkt me een vrij kansloze bedoening, het bestaan van profschaker met mijn rating. Rommelen in de marge zou het worden. Een leven vol financiële problemen. Als ik nou 2650 had, dan was het wat anders, maar nu? Nee hoor, geen denken aan. Tot 2550 is het allemaal wel te doen, daarna is het een enorme stap om er nog 100 punten bij te winnen.” Ernst ging aanvankelijk psychologie studeren, maar stapte later over op een studie Nederlands. Hopelijk vindt hij een baan die hem genoeg vrijheid geeft om een paar toernooien per jaar te spelen. Als grootmeester is hij dat toch wel een beetje aan zijn stand verplicht.

 

Johan Hut

oktober 2006

Schakers.Info